Feest en Frustratie op de Voedertafel
Inmiddels is het volop lente, dus waarom niet even terugblikken op de winter, als op anderhalve meter van mijn luie stoel de voedertafel in mijn voortuintje staat, waardoor mijn huiskamer wordt omgetoverd tot de perfecte vogelkijkhut. Nergens zie ik vogels van zo dichtbij, tenzij ze in een kooitje zitten, natuurlijk, van alle kanten komen ze tijdens die korte winterdagen aangevlogen om zich vlak voor mijn neus vol te proppen met zaden, meelwormen, pindakaas en ander vogellekkers.
Door het spiegeleffect van de ruit hebben ze mij niet altijd duidelijk in beeld en reageren ze alleen op plotselinge bewegingen. Daarnaast zullen ze me ook wel kwalificeren als een traag, ongevaarlijk wezen, een verwaarloosbaar risico als je je vetvoorraad voor de lange winternacht op een makkelijke manier kan opbouwen, al durven eksters, kauwen en gaaien pas een graantje mee te pikken als ik er níet zit, zodra ze me zien zijn ze gevlogen. Heel anders dan die houtduif, ik herken hem aan het kruintje in zijn nek, die naar me kan zitten turen als een vogelaar naar een zeldzaam exemplaar. Minutenlang volgt hij mijn bewegingen, tot hij zich opeens lijkt te herinneren waarvoor hij eigenlijk kwam en fanatiek begint zijn krop vol te schrokken met meelwormen en zonnepitten.
Pimpelmezen, steevast haantjes de voorste, pikken evenals koolmezen telkens één zonnepitje om dat een eindje verderop te kraken en ze zijn niet bang diep de pindakaaspot in te kruipen, waarin verder alleen af en toe een spreeuw of grote bonte specht zich waagt, halsbandparkieten komen ontspannen een pindaatje pellen, me intussen half-geïnteresseerd observerend, de altijd haastige meneer merel haalt snel een meelwormpje of pikt even in een appeltje, huismussen maken er een luidruchtig groepsuitje van, soms met tientallen tegelijk, pimpel- kool- en staartmezen hangen graag in trosjes aan de vetbollen, de heggenmus scharrelt onopvallend wat restjes bij elkaar op de grond, vinken ook, maar op veiliger afstand.
En dan is er het roodborstje. Die verschijnt pas als de anderen weg zijn en probeert dan verwoed fladderend als een mees aan de vetbollen te hangen. Tevergeefs, hij is nou eenmaal geen mees, als roodborstje beschikt hij niet over pootjes die zijn ontworpen voor dit soort acrobatische toeren. Na zo’n mislukte poging kan hij me aankijken met een blik waarin ik zoveel woede en frustratie lees, dat ik bijna blij ben dat er glas zit tussen ons.