In het Adriaan Roland Holsthuis in Bergen februari 2024

Mijn Wintermaand aan Zee (1)

                                                                                                                           Foto huis: Erik Hansen

1.Wie was welke Roland Holst?   

Laat ik het maar eerlijk bekennen, ik wist niet welke  Roland Holst de bewoner was geweest van het Roland Holsthuis toen ik besloot een aanvraag te doen voor een schrijfverblijf aldaar. Ik was ervan  op de hoogte  dat de Roland Holsten hun sporen hebben  verdiend  op het gebied van  poëzie, beeldende kunst en politiek, maar wie nou wie was, dat liep een beetje door elkaar bij me. In mijn boekenkast staan al een halve eeuw twee  boeken van Henriette Roland Holst te vergelen, al heeft deel II van de Sun-reprint Kapitaal en Arbeid in Nederland al een gele kleur bij de geboorte meegekregen. Ik kan me niet herinneren de boeken ooit gelezen te hebben, maar vond op pagina 79 van deel 1 een kwitantie van een tandartsbezoekje ergens in de jaren zeventig als  bladwijzer, hetgeen er op zou kunnen duiden dat ik er toch ooit aan begonnen ben.

 

Maar inmiddels weet ik dat deze Henriette Roland Holst-Van der Schaik weinig te maken had met het huis in Bergen, al zal ze er zeker op bezoek zijn geweest. ‘Rode Jet’, dichteres en socialiste,   was getrouwd met  beeldend kunstenaar Richard (Rik) Roland Holst, de Roland Holst van wie ik in een museum wel eens werk heb gezien. En samen waren zij tante en oom van Adriaan en dat is de man waar het in Bergen om draait.

 

 

Een jonge Adriaan met oom Rik en tante Jet (Bron: A. Roland Holst, Biografie, Jan van der Vegt. De Prom 2000)

 

Zo, dat weten we dan weer. Zodra ik het bericht ontving dat ik in 2024 een hele maand in zijn huis mag verblijven om aan mijn nieuwe roman te werken, heb ik her en der informatie over deze Adriaan Roland Holst verzameld, een PDF van zijn Verzamelde Werken Deel 1. Verzen gedownload,   het prozagedicht De Afspraak aangeschaft,  alsmede een dun boekje over de dichter en zijn huis met de titel Mijn Tweede Huid van Jan van der Vegt en tenslotte zijn biografie, een pil van ruim 700 pagina’s van dezelfde schrijver. Voorlopig wel even genoeg als voorbereiding, dunkt me.

 

Op de site van het Bert Schierbeekfonds dat de woning ter beschikking stelt aan schrijvers, dichters en vertalers vond ik verschillende impressies van het huis, geschreven door degenen die mij voorgingen. En behalve de steile trap en het ongezellige licht komt daar vaak de nog altijd rondwarende geest van de dichter naar voren…

 

Voorin Mijn Tweede Huid van Jan van der Vegt staat het volgende gedicht van Adriaan Roland Holst:

 Terugkomst

Als deze huid heeft afgedaan

En voorgoed wordt opgenomen

Onder het gras

Zal ik, na jaren angst en schromen

De kamer die kamer van mijn leven was

Weer binnenkomen

 

Dat klinkt niet echt geruststellend. Stel dat ik daar ’s morgensvroeg  die steile trap afdaal naar de huiskamer, het ongezellige licht aandoe en dan de dichter languit op de sofa zie liggen…

 

In hetzelfde boekje lees ik dat de dichter in zijn laatste levensjaren steeds meer last kreeg van depressies of zoals hij dat zelf noemde, van zijn ‘verzwikte ziel’. Hallucinaties over wat hij in gedichten ‘het Verborgene’ noemde, maakten van het huis een  spookhuis dat hij uiteindelijk definitief ontvluchtte.

            In Het Verbeurde Lot schrijft hij:  ‘Die nacht heerste tot aan het raam, stond buiten letterlijk tegen dat raam aan {…} Ik wist dat ik vanuit die nacht werd aangestaard.

Nu maar hopen dat er gordijnen zijn in de woning...

 


Wordt  (wellicht) vervolgd…

           

                                                      (Bron foto: A. Roland Holst, Biografie, Jan van der Vegt. De Prom 2000)